|
Echte
symptomen zijn er niet
bij idiopatische
epilepsie. Als de hond
bij de dierenarts komt,
is de aanval vaak allang
weer over. Meestal wordt
door de eigenaar
beschreven wat er
precies gebeurd tijdens
een aanval en moet de
dierenarts naar
aanleiding daarvan
bekijken of het gaat om
primaire of secundaire
epilepsie. Een
werkelijke diagnose is
dus ook moeilijk te
stellen.
Idiopatische
epilepsie wordt daarom
vastgesteld door alle
oorzaken voor de
aanvallen uit te sluiten
middels gedegen
onderzoek.
Wat
moet u doen als uw hond
voor het eerst een
aanval heeft gehad. Dat
kunnen twee dingen zijn:
u wacht af en kijkt of
er een tweede aanval
volgt, of u gaat langs
uw dierenarts. Meestal
zal uw dierenarts ook
zeggen nog even af te
wachten, maar als u zich
er prettiger bij voelt
kunt u uw dierenarts
vragen uw hond alvast
een basisonderzoek te
geven, dat bestaat uit
het beluisteren van hart
en longen en eventueel
een kort neurologisch
onderzoekje.
Als
er binnen afzienbare
tijd een tweede aanval
volgt, is het verstandig
uw dierenarts om een
bloedonderzoek te
vragen. Hiermee kunnen
de belangrijkste
functies als lever,
nieren en schildklier
worden onderzocht.
Tevens zijn er nog extra
onderzoeken in het
profiel opgenomen die
bij afwijkingen op
bepaalde aandoeningen
kunnen
wijzen.
Het
kan zijn dat er uit deze
onderzoeken een uitslag
komt. Middels deze
uitslag kan er een
behandeling worden
ingesteld, die naar alle
waarschijnlijkheid de
aanvallen doen
verdwijnen.
Vaak
echter toont het
onderzoek geen
afwijkingen. Door te
kijken naar bepaalde
omstandigheden, zoals
soort aanval, leeftijd
van de hond en ras, kan
er wel of niet
vervolgonderzoek worden
aangeraden. Als uw hond
bijvoorbeeld al op
leeftijd is, of gedrag
vertoont dat niet echt
bij epilepsie past, kan
er een scan worden
aangeraden.
Voldoet
uw hond echter aan het
"plaatje" van de
doorsnee
epilepsiepatient, dan is
het belangrijk eventueel
een behandeling in te
stellen met
anti-epilepsie
medicijnen. Daarvoor
kunnen de volgende
richtlijnen worden
aangehouden:
Uw
hond heeft een
interictale periode van
meer dan 6 weken (minder
dan eens per 6 weken een
aanval). In dat geval is
een behandeling met
medicijnen niet nodig.
Treden er echter vaker
dan eens per 6 weken
aanvallen op, dan is het
verstandig een therapie
in te stellen. Deze zal
voornamelijke bestaan
uit behandeling met
fenobarbital. Het doel
van deze behandeling is
de tijd tussen twee
aanvallen te verlengen,
de hevigheid van een
aanval te verminderen en
het voorkomen van
clustering en status
epilepticus. Meer
informatie over de
behandeling met
medicijnen vindt u op de
pagina
<behandeling>.
Op
bovenstaand traject zijn
enkele uitzonderingen:
als uw hond direct vanaf
het begin meerdere
aanvallen heeft, dient u
uw dierenarts te
raadplegen. Zoals al
eerder verteld stopt een
cluster veelal niet uit
zichzelf, waardoor in
zulke gevallen de
behandeling beter direct
kan worden gestart.
Uiteraard is hetzelfde
van toepassing als uw
hond in een status
epilepticus geraakt:
veterinaire hulp is
daarbij van
levensbelang!
|